Resuming: in Joal-Fadiouth heb ik trouwens met een paardenkar een prachtige rit gemaakt over een zoutvlakte naar, zo zei men daar, de grootste en oudste baobab ter wereld. De omtrek is 32 meter, niet gering! De baobab heeft een opening en als je binnenkomt sta je in een klein donker zaaltje. Onder de grond liggen daar talloze griots gemummificeerd (zangers/vertellers van de geschiedenis en alom gerespecteerd) en boven je hoofd hangen talloze vliegende honden, geenszins luguber?

Vanaf Mar Lodj wilde ik eigenlijk met een houten boot naar Toubakouta, maar toen bleek het grote nadeel van alleen reizen: een houten boot daarheen kost 100 euro, of je nou alleen bent of met z’n 10en. Dat heb ik maar laten zitten dus, en ik ben dus met busjes naar Toubakouta gegaan (5 busjes in totaal). Het was daar wel erg mooi, met een aanmeerplaats van pirogues (houten boot) en een groen dorp. In het hostel zaten twee Belgen die verliefd geraakt zijn op Toubakouta, een ervan was er een huis aan het bouwen, de ander zat vaak bij z’n vriendin uit het dorp. Grappige kerels, leuk om mee te hangen. Later kwam er ook een Nederlands stel dat bijna geheel zelfvoorzienend was en met een campertruck naar Senegal zijn gereden. Ze doen dat met een vaste routine: steeds 2 jaar werken om vervolgens een heel jaar op reis te kunnen.

Ook hier waren er weer pirogue trips te maken en ook hier is het weer goedkoper als je met meer mensen bent. Dus heb ik wat mensen uit het hostel verzameld en zijn we met z’n vijven le Reposoir des Oiseaux bezocht. Het is een klein mangrovebosje waar geen grond onder zit en daardoor zitten er ook geen slangen of apen. Alle vogels komen daar dus ‘s avonds heen om de nacht veilig door te brengen. Als je daar een uurtje zit zie je honderden vogels aanvliegen, van heel klein tot pelikanen.

De volgende ochtend werd de niewe boot van de eigenaar van het hostel tewatergelatern en zijn we komen helpen. De mannen van het vissersdorp rukken dan uit om de boot het water in te duwen of toe te kijken.

Verder is het in Senegal overdag toch ook een hoop slenteren, zitten en thee drinken, als je het lokale ritme volgt. Het voelt erg gemoedelijk en rustig maar actief is het niet. Actief zijn kan dan ook niet zo goed: het is 35 graden en je verbrand of oververhit binnen de kortste keren als je tussen 12 en 15u buiten rondloopt, met een vervelende hoofdpijn als gevolg.

Na Toubakouta ben ik richting Tambacounda gegaan waar ik via een contact in Dakar een campement met goede djembécursussen kende. Het is een mooi campement, met een stuk of 8 hutjes en er woonde ook een Senegalese familie die het beheerde. Het heeft een simpele hurk wc en emmers voor wassen. Elektriciteit was er niet dus ‘s nachts een hoop gefrunnik met zaklampen en kaarsen, en om je telefoon op te laden kun je naar een boutique en je telefoon een paar uur later ophalen. Normaal woonde op het campement ook een Amerikaan, Jessy, maar die was op reis. Daar had ik elke dag 5 uur djembe les: 3 uur in de ochtend en 2 uur in de namiddag. Daartussen viel iedereen (inclusief ik) in een diepe slaap, onderbroken door lunch en soms door het drinken van thee: het is gewoon te heet om iets te doen. Na de les kon ik vaak nog wel even naar de boutiques of de stad, al is het meestal wel fijn om voor half 8 terug te zijn: in dat gebied is nul verlichting. ‘s Nachts ging ik er vaak op uit met een van de jongens daar, er zijn veel traditionele ceremonies in die buurt, waar je vaak de enige blanke bent. De laatste twee dagen moesten een paar mensen van het campement zelf optreden en kon ik meespelen, heeeel erg tof om mensen (vooral vrouwen) extatisch te zien dansen op muziek die jij maakt!

Inmiddels ben ik in Bamako, en ik moet gaan, maar ik schrijf gauw meer!

RSS Bobby | Reacties geven is niet mogelijk 27 januari 2010 (11:57)

Uncategorized